Het noorden van het noorden
- Andrea
- 2 dec 2017
- 3 minuten om te lezen

Het was niet alleen sight-see’en in Auckland, we hadden ook belangrijke dingen te doen: alle kampeerspullen die we in de Verenigde Staten hadden achtergelaten, moesten we hier opnieuw aanschaffen. Helaas hadden we geen beschikking meer over de Baby Galactica, maar moesten we het de komende 3 maanden doen met een voor-gedeukte Nissan Tiida (Sunny) uit 1998. Het was passen en meten om alles er in te krijgen; onze spullen, maar ook de nieuwe koelbox, campingstoeltjes, gasfornuis, het opblaasbare luchtbed MET oplaadbare pomp, de uitklapbare tafel en, Arjan’s favoriet: de hapjespan. Na alles een paar keer in- en uitgepakt te hebben paste het alles er in, compleet met een bibliotheek in het handschoenenvakje en een knuffelkiwi voor op het dashboard. We waren klaar om het noorder eiland te verkennen.
Als we dan van noord naar zuid gaan, laten we dan ook goed doen, besloten we. “Northland”, is de toepasselijke naam van het stuk eiland ten noorden van Auckland. Prachtige baaien, appelbomen en belangrijke historische plekken, zo prijst de regio zichzelf aan. Als trouwe toeristen werkten we het lijstje af. Veel reizigers spreken onmiddellijk hun voorkeur uit voor het zuider-eiland. Veel mooier, schijnt het daar te zijn. Dikke rotsen, wilde watervallen en meer van dat ongerept natuurschoon. Het Noorder eiland moest dus wel het lelijke eiland zijn. Dat viel reuze mee, vonden we. We zagen baai na prachtige baai, met pittoreske eilandjes, en hier aan daar een waterval. Wijn en oesters waren overal in overvloed te krijgen, en van geweldige kwaliteit.

Er waren eeuwenoude bossen, met bomen en planten die in niets lijken op Europees groen. Woudreuzen van 2000 jaar oud, zo groot dat Arjan ze bijna niet op de foto kreeg. Door hun super gevoelige wortels worden ze - zoals zo'n beetje alle flora en fauna in Nieuw Zeeland - met uitsterven bedreigd. Om deze 'Kauri' bomen te beschermen, hingen overal in het bos ontsmettingsmiddel en borsteltjes, die we dan ook braaf gebruikten om onze schoenen schoon te maken.
Onder de vuurtoren van Cape Reinga, in het noordelijkste puntje van het eiland, keken we dromerig uit over zee. Als dit het lelijke eiland was, dan moest het zuider eland wel spectaculair zijn.
Het enige dat een beetje tegenviel, was het ‘camping life’. Waar we in Canada en de VS gewend waren om een grote privé kampeerplek te hebben, met een eigen picknick bankje en een vuurkorf, was het hier wel even anders. Sommige dingen waren absoluut beter: een beetje camping had een compleet uitgeruste keuken, met barbecues, vriezers, complete pannensetten en een Quooker. Waar we minder enthousiast over waren was de layout: over het algemeen was een camping gewoon een grasveld. In de meeste gevallen was er om de 3 meter een steen neergelegd met een nummer, die de erfscheiding moest aangeven. Zo ontstond een dambord met mini-kampeer-plekjes, waar een koe bij een schijt-je-rijk wedstrijd nog claustrofobie van zou krijgen. In Piha, een surf dorp aan de westkust, ter hoogte van Auckland, maakten we kennis met variant nummer 2. Ook hier was de camping een enorm grasveld, waar je voor 50 dollar je tent mocht neerzetten ‘waar je maar wilt’. Het was een ratjetoe van grote en kleine tenten, backpackerbusjes die van ellende en ducktape aan elkaar hingen, en een hele reeks stacaravans, die duidelijk de laatste 30 jaar niet van hun plek waren geweest. Met wat miezerige regen was het een troosteloos geheel. Gelukkig had Piha een zonsondergang die alles goed maakte.




























































Opmerkingen